Het appje dat bleef liggen

Janet en Rudi zijn al drie jaar samen.

Ze wonen een jaar samen, hebben ieder hun eigen leven, werk, sport en vrienden. Ze kennen elkaar uit dezelfde vriendengroep en delen een druk sociaal bestaan. In de week doen ze hun eigen dingen, in het weekend zijn ze vaak samen. Familie, vrienden, uitgaan, het leven is vol.

Om elkaar tussendoor nabij te blijven, appen ze veel.

Voor Janet voelt dat prettig. Ze ervaart het als een manier om verbonden te blijven. Als Rudi snel reageert, voelt ze zich gezien. Rudi ervaart dat anders. Hij vindt het geen probleem om later te reageren als het niet uitkomt. Voor hem is dat geen afstand, maar gewoon leven in het moment.

Dat verschil leidt regelmatig tot gesprekken.

Soms ook tot irritatie. Er worden afspraken gemaakt: binnen een uur reageren. Dat voelt voor Janet veilig. Voor Rudi haalbaar.

Op een avond gaat Rudi met collega’s stappen. Ook vrouwelijke collega’s, waarvan Janet weet dat hij goed met hen klikt. Ze appt hem hoe het is. Pas na anderhalf uur komt er een kort antwoord. Dat voelt voor haar afstandelijk. Ze vraagt om een foto van de locatie. Daar komt geen reactie op.

Wanneer Rudi later appt dat hij naar huis komt, is Janet boos.

Wat voor hem een gezellige avond was, voelt voor haar als afwezigheid.

Hij begrijpt de boosheid niet. Hij heeft niets verkeerd gedaan.

Zij voelt zich niet gerustgesteld. De afspraak is niet nagekomen.

De dagen erna hangt er spanning.

Niet vanwege wat er gebeurd is, maar vanwege wat het oproept.

De vraag is dan niet wie gelijk heeft.

Maar wat hier eigenlijk wordt gezocht.

Is vertrouwen iets wat je kunt eisen, of alleen kunt geven?

Is veiligheid te regelen via afspraken, of ontstaat die in afstemming en gunnen?

Brengt controle de ander dichterbij, of juist verder weg?

En misschien nog een andere vraag:

hoe gebruik je media om verbonden te blijven, zonder dat het een meetinstrument wordt?

Vorige
Vorige

Waarom gelijkwaardigheid geen gedrag is